jeugdhulp - SOS-Jeugdzorg

JZ-Nieuws

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 113 niet laden

 

Mr Ir P.J.A. Prinsen

Renbaanstraat 45

2586EX Den Haag

PRINSEN

LEGAL OPINION

http://peterprinsen.nl

 

 

 

“WAARHEIDSVINDING”

 

Er zijn drie typen cliënten.

 

  1. Ouders met een kinderbeschermingsmaatregel krachtens het BW (de “justitiële jeugdketen”)
  2. Ouders die op eigen verzoek jeugdhulp genieten krachtens de Jeugdwet.
  3. Ouders die op eigen verzoek jeugdhulp genoten (groep b), maar die om wat voor reden dan ook in groep a terechtkwamen.

 

Ouders klagen over ongegronde beschuldigingen, onvrijwillige en/of ondeugdelijke diagnostiek) en het niet serieus genomen worden van betwisting en weerlegging.

 

“Waarheidsvinding” (ongegronde beschuldigingen) betreft met name groep a. Binnen die groep dreigen twee fundamentele problemen:

 

1. Ongegronde beschuldigingen: Ouders uit groep a maken bezwaar als professionals een OTS- of UHP-verzoek aan de rechter onderbouwen met vergaande ongegronde beschuldigingen. Betwisting van die beschuldigingen door ouders worden afgewimpeld met het dubieuze mantra:  “In het Jeugdrecht gaat het niet om waarheidsvinding”. Dubieus, want hun bezwaren betreffen niet het al of niet vinden van een waarheid omtrent de ontwikkelingsdreiging, maar betreffen de ongegrondheid van de beschuldigingen die ten grondslag worden gelegd aan die gestelde ontwikkelingsdreiging.

 

2. Blanco rechtsnorm:  Het tweede probleem waarover professionals willen zwijgen als zij zeggen dat zij niet aan “waarheidsvinding” hoeven te doen, betreft de ongrijpbare rechtsgrond “ernstig bedreigd in zijn ontwikkeling”, de wettelijke  grondslag voor een OTS (art. 1:255 BW). In de wet ontbreekt een concreet toetsingskader voor vermeende ontwikkelingsdreiging. Over flagrante verwaarlozing zullen we het gauw eens zijn. Maar in een meer discutabele casus, mag daarin de mening van de raadsrapporteur of de diagnose van de benoemde academisch geschoolde onderzoeker voldoende zijn voor OTS of UHP? Zolang dat toetsingskader in de wet ontbreekt kan de rechter niet anders dan het verzoek toewijzen. Inderdaad, dat een kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd kun je niet bewijzen terwijl het toch waar kan zijn. Maar dat hoort dan reden te zijn om hierin een taak voor de wetgever te zien: een normatief kader codificeren, in wettekst vastleggen. Ook kinderen hebben recht op een rechtsstatelijke behandeling als hun vrijheid wordt aangetast.

 

Toelichting ad 1: Ongegronde beschuldigingen

Ongegronde beschuldigingen spelen vooral (maar niet alleen!) een desastreuze rol bij spoed-uithuisplaatsingen [1] (UHP zonder voorafgaand ouderverhoor, art. 800 lid 3 Rv [2]). Met een telefonische spoedmachtiging UHP die niet aan dat artikel is of wordt getoetst plaatst de kinderrechter zich zelf voor een voldongen feit dat niet gaarne wordt teruggedraaid bij het ouderverhoor post hoc: het kind zit dan al bijna 14 dagen in het pleeggezin, terugdraaien vergt organisatorische inspanningen.

 

Verbetervoorstel 1: Invoering van een Rechter-Commissaris [3]

-      Een verzoek spoedmachtiging UHP wordt door de Raad voor de Kinderbescherming gericht aan de Officier van Justitie. Na formele toetsing door de OvJ (zijn de aangevoerde gronden conform de wet?) wijst de OvJ het spoed verzoek toe (de veiligheid van het kind staat voorop!) en dient het in bij de R.C.

-      Aan de ouders wordt een (piket-)advocaat toegevoegd.

-      De R.C. hoort binnen maximaal 3 dagen de ouders en de OvJ en toetst de rechtmatigheid van het verzoek onder meer aan de norm van het huidige art. 800 lid 3 Rv:

o  Is er voldoende feitelijke grond voor het aannemen van “onmiddellijk en ernstig gevaar” (levensbedreigend of anderszins ondraaglijk)? De R.C. beoordeelt expliciet de aannemelijkheid daarvan en van de overige aan het verzoek ten grondslag gelegde feiten.

o  Voltrekt het gevaar zich als niet “onmiddellijk” wordt ingegrepen? Of kan het kind nader onderzoek gewoon thuis afwachten (zo nodig met aanwending van andere middelen ter afwending van het gevaar)?

Art. 800 lid 3 Rv dient door een uitgewerkte regeling van het bovenstaande te worden vervangen.

Doorstaat het verzoek de toetsing door de R.C., dan blijft het kind gedurende het in te stellen onderzoek in het pleeggezin. Binnen een onderzoekstermijn van 3 maanden behandelt de Kinderrechter bij een inhoudelijk  ouderverhoor het onderzoeksrapport. Hij staat de definitieve machtiging toe òf wijst het verzoek af. Om misbruik te voorkomen: verlenging van de onderzoekstermijn is niet mogelijk.

 

Toelichting ad 2: blanco rechtsnorm

 

Nergens geeft de wet houvast welke gedrags- of andere modaliteit getoetst moet worden aan welke concrete norm dan ook. Geen wonder dat rapporteurs, zoekend naar onderbouwing van hun verzoeken, hun toevlucht nemen tot het presenteren van hun veronderstellingen als feit, tot “framing” van halve waarheden, tot uit hun verband rukken van de feiten en tot overdrijving.

 

Artikel 1:255 BW is blanket-wetgeving: de mening van rapporteur en rechter telt. De wet geeft geen norm waaraan getoetst moet worden. In gevallen van flagrante verwaarlozing of mishandeling zal, zoals gezegd, iedereen het al gauw met elkaar eens zijn. Maar legio zijn de gevallen waarin dat niet zo duidelijk is. Dan wordt een wettelijk toetsingskader node gemist.

 

Verbetervoorstel 2: Wetboek van Kinderbescherming

Naar analogie van het wetboek van strafrecht, waarin een veelheid van gedragsmodaliteiten strafbaar is gesteld, zou er een apart wetboek van kinderbescherming moeten worden ingevoerd. Een goed aanknopingspunt biedt Bartels & Heiner (1989): “De condities voor optimale ontwikkeling”. Deze benadering is uitgewerkt door Kalverboer en Zijlstra: “Het belang van het kind in het Nederlands recht” (2006). De daarin opgenomen “Vragenlijst belang van het kind – Een pedagogisch instrument voor juristen” zou een basis kunnen bieden voor een nadere uitwerking in wettekst, leidende tot een rationele uitwerking van het omineuze “ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd”.

 

Artikel 3.3[4] Jeugdwet is een papieren tijger gebleken, niet in staat het ontregelend effect van de term ‘waarheidsvinding’ een halt toe te roepen. Opnieuw op uitnodiging van een LOC-werkgroep is dezerzijds bepleit om het debat expliciet weer te richten op de oorspronkelijk bedoelde problematiek: ongegronde beschuldigingen in de rapporten. Er werd besloten het onderhavige congres te organiseren. Nadat door het Departement subsidie was aangeboden is teruggevallen op de ambivalente term “Waarheidsvinding” als congresthema.                             ¨

 _________________________

 

[[1]]    In 2016 volgens het CBS 1.560 VOTS-uitspraken (@ Spoed-UHP). De OTS instroom 2016 was 8390.

 

[2]    Art.800 lid 3 Rv: De beschikkingen [. . . ] tot machtiging [. . .] om een minderjarige uit huis te plaatsen [. . .] kunnen alleen dan aanstonds worden gegeven, indien de behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige. Deze beschikkingen verliezen haar kracht na verloop van twee weken [. . .].

 

[3]    In motie 31 839 nr. 568 d.d. 23 februari 2017 heeft de Tweede Kamer de regering verzocht de mogelijkheid te onderzoeken van het inzetten van een onafhankelijke onderzoeksrechter.

 

[4]    Art. 3.3 Jeugdwet: De raad voor de kinderbescherming en de gecertificeerde instelling zijn verplicht in rapportages of verzoekschriften de van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren.

 

 

 

 

 

 

 

Waarheidsvinding en rechtsvinding in de jeugdbescherming

 

 

Kinderen worden uit huis geplaatst door ongegronde beschuldigingen, want: “In het jeugdrecht gaat het niet om waarheidsvinding”. De Minister voor Rechtsbescherming heeft een Actieplan ingediend, opgesteld door de kinderbeschermers zelf. Ouders willen nu een Regeringscommissaris die zij vertrouwen.

 

Bericht van de RvdK over het regeeraccoord 2017 m.b.t. de ‘jeugdzorg’:

 

 

 

https://www.kinderbescherming.nl/actueel/nieuws/2017/10/02/dit-staat-er-over-kwetsbare-kinderen-in-het-regeerakkoord-vertrouwen-in-de-toekomst.

 

Echtscheidingen die problematisch verlopen kunnen veel schade aanrichten bij ex-echtelieden en eventuele kinderen. Landelijk beleid ten aanzien van het voorkomen van “vechtscheidingen” zal gericht zijn op het wegnemen van knelpunten, die zich voordoen bij het voorkomen van deze schade. Het belang van het kind dient te allen tijde voorop te staan, wat maakt dat het contact van het kind met de ouders en grootouders wordt bevorderd.” –  

 

Daar staat: Echtscheidingen kunnen schade aanrichten, en dat klopt waar door verkeerde communicatietechnieken men te belast geraakt bewust aan communicatietechniekcursus te doen, dat positieve invloed kan hebben op wat het kind aan signalen bij de belaste ouders voelt of ziet uitstralen; een kind is niet blind voor het non-verbale. En, let op:: Het beleid zal gericht zijn op het makkelijker maken van de drang en dwang in jeugdzorgland. Dit kan met de signalen die zich voordoen bij de jeugdzorg die zelf tracht deze te 'voorkomen', doch al te vaak laat escaleren, waarover veel staat op o.a. de site van http://peterprinsen.nl/LEESMAAR.htm. En: Het belang van het kind, afgezonderd van diens belangen diens ouders te kennen en de kind-ouder-banden, staat voorop, heel koud en eenzaam.

 

Er wordt nader onderzoek verricht naar een verdere herijking van het familierecht. Daarbij gaat het onder meer om adoptie, echtscheiding, alimentatie en de positie van grootouders. Ook hierbij is het belang van het kind leidend.” –

 

Waar de jeugdzorglobby dit dicteert, zullen de scheidende ouders – i.p.v. zo vroeg mogelijk bij aandienen van scheiding (dàn bekend bij de rechtbank) – juist zo lààt mogelijk van een zo laag mogelijk jeugdzorgniveau de bemoeizorg krijgen. Dit staat haaks op het IVRK art. 24 lid 1 dat spreekt over een zo hóóg mogelijke ook psychische en orthopedagogische gezondheidszorg, waartoe goed en deskundig informeren aan ouders wat signalen kunnen aanrichten bij het kind onder scheidingsproblematiek.

 

Daar is gespecialiseerde kennis voor nodig die ouders eigenlijk urgent zèlf behoren te zoeken (BW1:247) maar met de kwakzalverij van omgangs-OTS zal dat de bekende, escalerende hulptrajecten zijn waar de gezinsvoogd vermijdt BW1:262 en 263 te gebruiken:

 

Een niet-meewerkende ouder aan diagnostiek (interactieonderzoek) zal geen juiste voorlichting verkrijgen en geen schriftelijke aanwijzing om mee te werken mèt de uitleg dat een [tijdelijke] beëindiging van ouderlijk gezag tot de mogelijkheden hoort om als een stok achter de deur de ouder te bewegen mee te werken aan 'diagnostische waarheidsvinding'. Òmdat ‘leugens’ niet geroken kunnen worden, en de gescheiden ouders elk wat anders vertellen, en de gezinsvoogd speculeert wat waar zou zijn, dient er zo snel mogelijk in het belang van het ontvankelijke kind geméten te worden, met voorlichting om ouders zo mogelijk bewuster te maken wat houding en communicatie met het kind kan doen. Het kind zou niet lang mogen lijden aan verkeerde representatie door belaste ouders.

 


 

 

 

Waarheidsvinding versus Niet-pluis-gevoel

Ouders en jeugdbeschermers zijn al jaren verwikkeld in een hoog oplopend debat over valse beschuldigingen in rapporten. Jeugdbeschermers: “In het jeugdrecht gaat het niet om waarheidsvinding. Dat begrip komt uit het strafrecht. In het Jeugdrecht kunnen we daar niets mee”.

Het is niet verwonderlijk dat ouders zich met dit antwoord niet-gehoord voelen. Zij vinden het oneerlijk, een drogreden: zij klagen immers niet over het niet-vinden-van-de-waarheid (welke waarheid), maar over het toelaten van onwaarheden. Tot in de hoogste regionen wordt met deze drogreden het debat de verkeerde kant opgestuurd. Ook op parlementair niveau, artikel 3.3 Jeugdwet en de aangepaste protocollen ten spijt.

Eerlijk debatteren

Een eerlijk debat begint ermee elkaar een blik te gunnen op de eigen positie bij de besluitvorming inzake een K.b.-maatregel. Een jeugdbeschermer die moet beslissen om in een bepaalde situatie een OTS of UHP voor te stellen komt soms niet verder dan een z.g. “niet-pluis-gevoel”: het gevoel dat iets niet goed zou kunnen zitten maar wat je niet hard kunt maken. “Stel dat het in dat gezin later misgaat”, zo is de gedachte, “dan ben ík daarvoor verantwoordelijk”.

Inderdaad: een niet-pluis-gevoel is niet te herleiden tot een harde waarheid. Alle begrip daarvoor. Maar dan?

De verleiding is groot om te zoeken naar concrete beschuldigingen die, mits waar, een maatregel meer kunnen rechtvaardigen. Halve waarheden en hele onwaarheden komen in het rapport dat uiteindelijk naar de rechter gaat.

  

OPROEP van het Nederlands Advocaten Comité


Onderwerp: Onderzoek waarheidsvinding bij OTS en UHP

Beste ouders,

 

Als kinderen onder toezicht worden gesteld (OTS) en uit huis geplaatst (UHP) vindt veelal geen waarheidsvinding plaats. Onwaarheden blijven het oordeel van de rechter beïnvloeden. Een groep advocaten heeft het Nederlands Advocaten Comité Familie- & Jeugdrecht opgericht om de rechtspraktijk van het Jeugdrecht te onderzoeken.

 

Het Advocaten Comité zou graag documenten ontvangen van ouders om de handelswijze van jeugdbeschermers en rechters in kaart te brengen. Op basis hiervan wil het Advocaten Comité een onderzoek instellen naar de rechtmatigheid van uithuisplaatsingen. Het gaat om de volgende documenten:

 

1. Het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot voorlopige ondertoezichtstelling (VOTS) en spoedmachtiging uithuisplaatsing (UHP). (Let op: er heeft dan nog geen ouderverhoor plaatsgevonden).

 

2. De beschikking van de kinderrechter op dat verzoek (meestal dezelfde dag).

 

3. De onderbouwing door de Raad bij gelegenheid van het ouderverhoor in de rechtbank (binnen 14 dagen nadat het kind uit huis is gehaald).

 

4. De beschikking van de kinderrechter ná ouderverhoor. (Het verzoek wordt meestal toegewezen voor 3 maanden ten behoeve van onderzoek).

 

5. Het onderzoeksrapport van de Raad voor de zitting van 3 maanden later.

 

6. De uiteindelijke beslissing van de kinderrechter tot OTS en UHP.

 

Wij ontvangen bovengenoemde stukken het liefst gescand en per e-mail op:

BELANGRIJK:

Gaarne uw begrip voor de volgende voorwaarden:

 

a.    Format Documentnaam: <jjjj.mm.dd - auteur - soort>.pdf.

b.    “auteur” is bijv.: RvdKb=Raad v.d. Kinderbescherming, KR=kinderrechter, GI=Gecertificeerde Instelling, VT=Veilig Thuis etc.

c.    Gebruik bij scannen de optie “doorzoekbaar”.

d.    WORD-bestanden: Opslaan als Adobe PDF, en dat bestand inzenden.

e.    Per PDF-bestand slechts één document.

f.     Toezenden alleen per e-mail. Niet via OneDrive of DropBox e.d..

 

Advocaten Comité
Mr. Ir. P.J.A. Prinsen
Renbaanstraat 45
2586 EX Den Haag

 

Met de Decentralisatie van de jeugdzorg die van start ging op 1 januari 2015 werd beoogd de hulp aan jeugdigen te verbeteren op het gebied van toegankelijkheid en preventie in een wijkgerichte aanpak onder de verantwoordelijkheid van de gemeenten. Men hoopte zo betere zorg op maat te kunnen leveren aan jeugdigen door de hulp dichtbij te organiseren met gebruikmaking van de Eigen Kracht van gezinnen. Deze sociale benadering van de problemen in gezinssituaties ging echter voorbij aan de rechtspositie van ouders en kinderen onder jeugdzorg die structureel ongewijzigd bleef en in bepaalde opzichten zelfs verslechterde, zoals met het blokkaderecht voor pleegouders na één jaar. Ook de verregaande gemeentelijke bemoeienis met gezinnen vanuit de sociale wijkteams volgens het drang & dwang-principe werd door oud-kinderrechter Nanneke Quick-Schuit al betiteld als een ‘verdergaande vervaging van de grens tussen vrijwillige en gedwongen hulp’.(1) Volgens jeugd- en familierechtadvocaat Huib Struycken wordt het hoog tijd dat er een belangrijke wijziging komt in de manier waarop er in ons land wordt omgegaan met de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen, want het huidige systeem is niet in het belang van ouders en kinderen.

Inleiding:

Door het hele jaar heen worden er volop symposiums/workshops/bijeenkomsten georganiseerd over jeugdzorg, met name voor jeugdzorgbestuurders, jeugdzorgmedewerkers, politici en beleidsmakers. Buiten het feit dat deze bijeenkomsten veel geld kosten zijn ze vaak niet toegankelijk voor ouders (‘de gekkies’). Naar mijn idee omdat er angst is voor ouders die op internet soms in heftige bewoordingen kunnen reageren op de handelswijze van jeugdzorg, de Raad en de rechtelijke macht (kinderrechters/familierecht). Men vermijd de ouders het liefst in plaats van naar ze te luisteren.

                                                  

De workshop ‘allemaal gekkies?’van donderdag 17 november op het kantoor van JBRA kostte geen €500 en het bracht op een laagdrempelige manier gezinsmanagers, Raadsonderzoekers en medewerkers van het AKJ en ouders samen. De aanmeldingen overstegen onze verwachtingen, deze medewerkers waren niet zo bang voor een ontmoeting met kritische ouders.

Allemaal gekkies...

Jeugd Bescherming Regio Amsterdam, Sos Jeugdzorg en Jeugdzorg Darkhorse hadden het plan opgevat om nou eens een keer met elkaar om tafel te gaan zitten. Praten óver elkaar is makkelijk maar mét? Tenslotte is dat vaak óns speerpunt: Niet praten óver ouders maar mét!

En waar loopt het nou eigenlijk het meeste spaak? Waar komt al die onvrede vandaan? Wíj weten de antwoorden daarop en de belangrijkste wilden we graag bespreken: Wat er allemaal opgeschreven wordt en hoe dat door ouders gelezen/ervaren wordt en de onvermijdelijk negatieve gevolgen voor kinderen.

Dus vandaag was het zo ver!
GezinsManagers (het is dus níet meer gezinsvóógd wat een verbetering is omdat het woordje 'voogd' verwarring bij zowel ouders als jeugdbeschermers veroorzaakte over wat de wettelijke verantwoordelijkheid is van de jb) én ouders in een ratio van ongeveer 3:1 gingen zich buigen over twee casussen. 
Éen aangeleverd door JBRA en één namens de ouders.

Animo onder de jeugdbeschermers was overweldigend, onder ouders wat minder (vanwege bijvoorbeeld angst over het nagedragen te krijgen).

Verbeter Voorstellen m.b.t. handelswijze in Jeugdzorg

 

Voorwoord

 

Naar aanleiding van de reactie van het ministerie van Veiligheid en Justitie (hierna: Min V&J) op mijn klachten over hoe gezinsvoogde(sse)n (hierna: GV) zich gedragen, welke ik geplaatst had op de openbare reactie pagina van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, ontstond er eerst een mailwisseling tussen Min v&J en mij en vervolgens telefonisch contact. Tijdens het laatste gesprek werd mij nogmaals verzocht om mijn ideeën over verbeteringen aan te dragen vanuit mijn ervaring als ouder ondersteuner bij Stichting SOS Jeugdzorg.

 

Omdat binnen SOS Jeugdzorg een taakverdeling is onder vrijwillig(st)ers naar kennis en capaciteit en mijn kennis voornamelijk gericht is op de Awb en de toepassing daarvan op het handelen van bestuursorganen zoals bijvoorbeeld een Gecertificeerde Instelling (volgens art 1.1 Jeugdwet), heb ik binnen de groepen en ouder ondersteuners de vraag uit gezet wat bij hen de meest gehoorde klachten zijn (bij ouders waar het meeste zeer zit) over het handelen van gezinsvoogde(sse)n voor en tijdens OTS dan wel voor, tijdens en na UHP.

 

De hoeveelheid klachten was dermate groot en de diversiteit dusdanig omvangrijk dat ik ze onderverdeeld heb naar hoofdcategorieën waarbij de categorisering van actuele voorbeelden die ouders en hun ondersteuners mij aangeleverd hebben in bijlage 1 hoofdpunten staan en de letterlijke reacties van ouders zelf over dit onderwerp in bijlage 2 Klachten. Gezien de angst die er heerst onder ouders voor negatieve gevolgen als ze openbaar klagen, heb ik die zonder vermelding van naam of zaak gedaan maar voor de beeldvorming verzoek ik u dringend ook die te lezen.

 

Omwille van overzicht benoem ik dus enkel de hoofdpunten met daaraan gekoppeld de adviezen zoals SOS Jeugdzorg die voorstelt waarbij ik opmerk dat voor de verdieping daarvan en het begrip daarover, bijlage 1 als ingevoegd moet worden beschouwd.

 

Voor de goede leesbaarheid gebruik ik voornamelijk de enkelvoud vorm waarbij meervoud ook van toepassing moet worden verondersteld (en vice versa) en onder GV dient in principe ook begrepen te worden de sociaal wijkteam medewerk(st)er.

 

Deze voorstellen zijn in de hoofdmoot gericht op het bewerkstelligen van een cultuur omslag binnen het jeugd stelsel en dan vooral bij de uitvoerenden aangezien daar het grootste pijnpunt nog steeds ligt. Het is namelijk gebleken dat ondanks alle verbeter trajecten en het opstellen van (verplichte) beleid-/gedragsregels het grootste probleem nog altijd ligt bij de kleinste schakel in de keten: De GV danwel de medewerk(st)er van het sociaal wijkteam.

 

Hoofdpunten van klachten

 

1. Dossier, rapport vorming, (indicatie) besluiten

 

a) feitelijk versus subjectief

Met het invoeren van de nieuwe Jeugdwet in 2015 is (o.a.) art 3.3 toegevoegd waarin staat: ”De raad voor de kinderbescherming en de gecertificeerde instelling zijn verplicht in rapportages of verzoekschriften de van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren”.

De wetgever heeft hiermee de artikelen 21 en 150 Rv direct van toepassing gemaakt op geschriften zoals die opgesteld worden in jeugdzorg en gepoogd een verbetering aan te brengen in voornoemde geschriften en dit naar aanleiding van vele voorstellen, waaronder die van voormalig kinderombudsman M. Dullaert. In de praktijk blijkt echter dat art 3.3 Jw op een onjuiste wijze geïnterpreteerd wordt, waarbij de nadruk komt te liggen op het woord “waarheid” en niet “feiten”. Waardoor (wederom) de subjectieve waarheid van een GV in verzoekschriften gepresenteerd wordt aan de diverse ketenpartners en de rechterlijke macht, als zijnde feitelijk.

Over de gehele linie, dienen jeugdwerkers er van bewust gemaakt te worden wat het verschil is tussen waarheid (subjectief en dus onderhevig aan persoonlijke voor-/afkeur etc.) en feiten en hoe die verschillen duidelijk in rapporten gescheiden moeten worden. Ook moet duidelijk gemaakt worden hoe de feiten “naar waarheid” en “volledig” opgeschreven dienen te worden.

 

Als een voorval éénmalig is geweest dient dat bijvoorbeeld in een rapport niet als “soms” omschreven te worden maar als één keer. Als een ouder schijnbaar boos is (wat echter ook gefrustreerd of angstig kan zijn) dient men dat te scharen onder “ik heb ouder zo ervaren” of “ouder kwam zo op mij over” en niet dat ouder agressief, strijdend, aanvallend is. Waarbij ik nog wil opmerken dat het accuraat duiden van iemands gemoedstoestand een hoog diagnostisch vermogen verlangd, iets waar GV’s vaak niet gekwalificeerd genoeg voor zijn. Het daadwerkelijk verbinden van een diagnose aan zulk gedrag, is voorbehouden aan een BIG geregistreerde die zelf met de ouder gesproken heeft en men hoort in rapporten dus enkel diagnoses van ouders te vinden die op voornoemde manier tot stand gekomen zijn. Het belang hiervan dient tot aan de laagste schakel in de zorgketen benadrukt te worden.

JeugdZORG - RECHTvaardig

Woensdag 29 juni 2016 zal er een manifestatie plaatsvinden op het Malieveld voor ouders, familie van gezinnen die met jeugdzorg te maken hebben (gehad), hulpverleners uit de (jeugd)zorg zijn ook welkom.


Jeugdzorg zou een instantie moeten zijn waar je als ouders terecht kunt met je zorgen en vragen over je kinderen, zonder angst voor ondeskundig handelen, speculaties in rapporten en machtsmisbruik van een gezinsvoogd . Een jeugdzorg die niet telkens de wet met voeten treed. Wij van stichting SOS Jeugdzorg willen deze dag vertellen over onze voorstellen voor een professionele en transparante jeugdzorg. Er zijn sprekers uit de advocatuur, politiek, Joep Zander (pedagoog) en ouderbelangenorganistaties. Bikers Against Child Abuse International Nederland zal aanwezig zijn met een voorlichtingsstand en zal u graag te woord staan. Er is een liveband en een springkussen voor de kinderen.